zondag 30 december 2012

Geloof

Geloof het of geloof het niet, maar ik ben gelovig. Altijd al geweest, trouwens. Nochtans laat ik mij soms erg kritisch uit voor de Kerk en haar zogenaamde leiders. Soms laat ik mij al eens betrappen op een mopje over Jezus en z'n familie. En toch... Ik kan er niet omheen. Het is sterker dan mezelf. Ik voel de nood, ik voel het verlangen om te geloven in een god. Deze wereld, de mensheid (of het mensdom) is te ingenieus, te verfijnd om puur toeval te zijn. Daar is iets meer mee gemoeid. Daar is liefde mee gemoeid. Deze wereld is met liefde gemaakt. Aan elk detail is gedacht, elke versiering is minutieus aangebracht en elk oneffenheid zo goed mogelijk bijgeschuurd. Van wie die liefde komt, kan ik niet zeggen, maar die liefde, daarin geloof ik en wel met volle overtuiging. 

Die liefde brengt mij bij het Evangelie, bij de Bijbel. In de Eerste Brief van Johannes staat: "God is Liefde" (1 Jh. 4, 8). Ik geloof dat. Dat korte zinnetje is de grondslag van mijn geloof: God is de liefde en de liefde, dat is God. Ik aanbid dus de liefde, want daarmee begint en eindigt alles.

Het is niet vanzelfsprekend om je dezer dagen te outen als christen-gelovige. Althans, ik vind het niet vanzelfsprekend. Ik heb schrik dat er tal van heel terechte vragen op mij zullen worden afgevuurd, vragen waarop ik niet meteen een pasklaar antwoord heb.

Laat ik beginnen bij misschien wel het grootste mysterie uit het Evangelie: Jezus' verrijzenis. Is hij echt uit de doden opgestaan? Mijn antwoord: nee. Jezus is verrezen op een andere manier. Zijn boodschap die men op een gewelddadige manier in de kiem heeft willen smoren, is na enige tijd verder uitgedragen door z'n apostelen. Op die manier is Jezus inderdaad herrezen uit de doden. Hij leeft voort, nu nog altijd, in hen die kracht putten uit zijn woorden en dat waren vooral woorden van liefde.

Nog zo'n vraag: als er een god bestaat, waarom is er dan zo veel ellende in de wereld? Ik neem er andermaal het Evangelie bij. Ditmaal het Evangelie volgens Matteüs: “Ga weg van Mij, vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat aangelegd is voor de duivel en zijn engelen. Want Ik had honger en jullie hebben Me niet te eten gegeven, Ik had dorst en jullie hebben Me niet te drinken gegeven, Ik was vreemdeling en jullie hebben Me niet opgenomen, Ik was naakt en jullie hebben Me niet gekleed, Ik was ziek en zat in de gevangenis en jullie hebben niet naar Me omgezien” (Mt. 25,  41-44). Kortom, de ellende in de wereld is niet de schuld van god, maar onze eigen schuld, want wij hebben hem, zijnde: de liefde, niet nagevolgd. 

Overigens gaat het hier niet om alledaagse liefde. Ik citeer nogmaals Matteüs: "Want als je liefhebt wie jou liefheeft, welk loon verdien je dan? Doen de tollenaars dat ook niet? Als je alleen je broeders groet, wat voor bijzonders doe je dan? Doen de heidenen dat ook niet?  Jullie zullen dus onverdeeld goed zijn, zoals jullie hemelse Vader onverdeeld goed is" (Mt. 5, 46). Kortom, de liefde die we moeten ambiëren is geen gratuite liefde, maar liefde die moeite kost, die af en toe pijn doet, die je er soms toe verplicht diep in je eigen vel te snijden.

Dat is de god die ik aanbid. Dat is de god wiens voorbeeld ik wil navolgen. Die liefde wil ik nastreven. Die liefde wil ik in de praktijk brengen. Met die liefde wil ik proberen elk van jullie te bejegenen.